![]()
Met de filmadaptatie van Wuthering Heights in februari zagen critici overal hoe makkelijk het is om de specifieke vorm van de Gotische roman van de Brontë-zussen terug te brengen tot de kern, en daarbij alle inhoud te verliezen. Deze muzikale versie van Jane Eyre doet het iets beter, maar maakt er nog steeds een holle schil van.
Het Tony-genomineerde musicalwerk van Paul Gordon en John Caird, dat zijn UK-première maakt, lijkt Charlotte Brontës laatste roman vooral te zien als een Bildungsroman. We ontmoeten Jane als een mishandeld weesmeisje (aanvankelijk gespeeld door het getalenteerde jonge talent Emily-Rose Samuel, die het emotionele fundament van haar personage goed neerzet), en volgen haar tot een volwassenheid die wordt gevormd door gefrustreerde ambities en romantische onderdrukking.
De lyrics van Gordon en Caird brengen op oppervlakkige wijze Jane’s verlangen naar vrijheid, haar zich ontwikkelende religieuze overtuiging en de manier waarop haar liefde voor de raadselachtige Mr Rochester haar uitdaagt, onder woorden. Maar te vaak worden deze thema’s didactisch uitgelegd of in vage termen gepresenteerd (Jane zingt op een moment dat ze wil “gaan waar ik niet mag”, een vreemd kinderlijke wens). De uiteindelijke conclusie, waarin Jane’s volgroeide liefde voor Rochester centraal staat, is eerder een clichématig romantisch komedie-einde dan een spirituele confrontatie.
Hierbij komt ook de vreemde keuze in tempo niet ten goede: het eerste bedrijf eindigt met een weinig memorabel duet tussen Jane en Rochester, dat de plot nauwelijks vooruit helpt en de vaart uit het stuk haalt. Het huwelijk tussen Jane en Rochester, onderbroken door de onthulling dat hij al getrouwd is, vindt pas ongeveer na twee derde van de voorstelling plaats, waardoor Jane’s emotionele reis hapert aan het begin van het tweede bedrijf.
Waar Gordon en Caird wel in slagen, is het scheppen van een grote R-Romantische, bijna operatische emotionele wereld voor hun personages. Hun beste teksten omarmen de natuurlijke lyriek in Charlotte Brontës schrijfstijl; beroemde beelden uit de roman, waaronder het koord dat Jane en Rochester aan elkaar bindt, lijken gemaakt voor muziek. Waar de songteksten tekortschieten, bouwt het geluidsspectrum de emotionele kracht van het verhaal weer op, inspelend op Jane’s gevoel van angst,isolement of passie op ieder moment.
Ondertussen portretteren Charlie Burn en Ashley Gilmour als Jane en Rochester de relatie van hun personages met een aantrekkelijk accent op zelfontdekking, het idee dat ze zichzelf beter leren kennen door de ander te kennen. Hun toevallige ontmoeting in de heuvels wordt gespeeld met humor, in een onsamenhangende scène die hun latere band wat ongeloofwaardig maakt, maar de spelers redden dit later met hun krachtige, psychologisch onderbouwde chemie. Ook leveren ze constant emotioneel geladen vocale prestaties.
De regie van Caird en Megan McGinnis balanceert elegant het intieme karakterwerk met een strak ensemble die veel van Jane’s monologen uitvoert – een wisselwerking tussen Jane’s innerlijke en uiterlijke leven die wellicht het operaregisec achtergrond van Caird weerspiegelt. Morgan Large’s ontwerp sluit aan bij het Gotische zonder in Halloween-clichés te vervallen, met een monochroom kleurenpalet en extra kostuumstukken die als lijken aan de muren hangen.
De sporen van horror in de voorstelling komen natuurlijk samen in R ochesters ex-vrouw Bertha, de originele gek in de zolderkamer. Hannah Lindsey is een passend spookachtige en aandoenlijke aanwezigheid in een gescheurde trouwjurk (hoewel de keuze om een witte actrice te casten voor dit uit het Caribisch gebied afkomstige personage een misser is vergelijkbaar met Jacob Elordi als Heathcliff).
Deze productie is niet het intellectuele zwaargewicht dat fans van de roman wellicht hadden verwacht, maar laat zich zeker niet inhouden als het gaat om krachtige, ontroerende emotionele uitbarstingen – het volgt niet de letter van Charlotte Brontës meesterwerk, maar wel de geest ervan.
Jane Eyre speelt tot 24 oktober in Southwark Playhouse Elephant
Foto credits: Victoria Davies